< De stam

De stam hoort bij de meeste stijlen mooi taps toe te lopen. De boom hoort een zogenaamde goede verjonging te hebben. Immers de boom is onderin begonnen met groeien en zal naar boven toe jonger zijn. Dit moet dan ook zichtbaar zijn. Niet zelden laat een boom een verdikking in de stam zien waar een te dikke tak of een krans van takken ervoor heeft gezorgd dat de boom daar meer verdikt dan elders. Is deze verdikking dikker dan de basis van de boom dan spreken we van omgekeerde tapsheid. Dit is een ongewenst verschijnsel.

De stam moet, al naar gelang de stijl, evenredig dik zijn in verhouding tot de hoogte van de boom. Vaak spreekt men van de zes staat tot één regel. Zes keer de dikte van de stam is de ideale hoogte van de boom. Dit is echter geen vast gegeven voor alle stijlen. Een boom in geleerde stijl zal dit niet laten zien. Daar ligt de verhouding verder uit elkaar. Wat betreft de dikte van de stam zijn de esthetische aspecten en de algehele uitstraling van de boom meer van belang en is de stijl mede bepalend. Ook zijn er bomen waarvan de dikteverhouding kleiner is dan zes staat tot een. De zogenaamde Sumo stijl: een korte dik gedrongen stam die massiviteit uitstraalt.

Mooie beweging in de stam

 

Beweging is bij veel stijlen een pre. Met beweging in de stam bedoelen we dat de boom niet kaarsrecht omhoog gaat maar een kronkelig karakter van de stam weergeeft. Abrupte overgangen zijn minder wenselijk. Liefst heeft een boom bochten in de stam die vloeiend zijn. De beweging moet al naar gelang de lengte van de boom het liefst op steeds kortere afstand voorkomen. De afstand is perfect als deze overeenkomstig is met de fibonacci reeks: 0, 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21 enz. Deze reeks blijkt interessante eigenschappen en verbanden te bezitten met onder andere de gulden snede. Er zijn stijlen waarbij beweging geen rol speelt. Een recht opgaande boom, chokkan genoemd, is niet bedoelt om een bochtige stam te hebben.  

De stam is het liefst gezegend met een tekenende schors. Dit betekent dat de schors van een structuur is die de uitstraling van ouderdom ondersteunt. De kleur en structuur van de schors varieert per boomsoort. Sommige bomen hebben een gladde schors terwijl anderen een ruwe textuur hebben. Ook zijn er boomsoorten waarbij de schors verkleurt wanneerde boom rijper wordt. Voorbeelden van een boom met een gladde schors is de beuk, terwijl een berk een goed voorbeeld is van een boom waarbij de schors verkleurt wanneer de boom ouder wordt.

 

Van onderaf is het verloop van de stam goed te zien

Op de stam horen snoeiwonden goed vergroeit te zijn. Ook hoort de stam niet vol te zitten met allerlei ongeregeldheden en gaten. Het duurt jaren voordat dit soort onvolkomenheden genezen. Dat heet als ze al genezen. Bobbels, grof litteken weefsel en vergroeiingen zien we ook liever niet.

De schors die de stam bekleed moet in overeenstemming zijn met de boom. Het moet de ouderdom van de boom ondersteunen. De schors mag tekenen laten zien van het leven van de boom en het verhaal ondersteunen. Grove beschadigingen in het verleden moet goed geheeld zijn. Afhankelijk, van de boomsoort en stijl, kan de schors glad of ruw zijn. Soms wordt de schors opgepoetst. Dit kan bijvoorbeeld bij jeneverbessoorten. Over het geheel genomen wordt aan de schors niets gedaan wat het kan beschadigen. Het is in bonsai een grote zonde om de getekende ruwe schors van bijvoorbeeld een pinus te beschadigen of te verwijderen.